St. Pauli is in alle opzichten een cultclub. De vereniging uit Hamburg heeft bruin als shirtkleur. Een groot deel van de aanhangers zijn linkse krakers met stinkende honden. Een doodshoofd is het geuzenteken dat op vlaggen door het stadion wappert. En de hoeren van de nabijgelegen Reeperbahn doen een dansje als de FC scoort in de Bundesliga. De dames van lichte zeden zijn al jaren hartstochtelijk fan van St. Pauli, blijkt ook uit het boek J. Kessels: The Novel van P.F. Thomese.
Voordat de Hurenschulcht was ingesteld, mengden de hoeren zich gewoon tussen het reguliere publiek, vertelde hij, wat destijds tot ontaarde taferelen had geleid. (...) Pijpen? Kende ik het begrip? En aftrekken? Goed. Sie sprechen gut Deutsch, meine Komplimenten, zei hij, dan konden we ons misschien een voorstelling maken van wat er gebeurde tijdens de dode spelmomenten, om maar iets te noemen. Maar ook uit puur plezier en sportbeleving was het voorgekomen dat de hoeren plotseling nietsvermoedende supporters begonnen af te trekken en/of te pijpen. Gratis, dat wel. Dat moest hij erbij zeggen. Wat dat betreft waren het echt toffe clubmeiden.
Bezwete, zwoegende mannen op een knollenveld. Op de tribunes werd er alles aan gedaan om de aandacht van deze hassliche Situation af te leiden. De hoeren in Vak K trokken hun topjes, truitjes, bloesjes etc. uit en lieten hun tepels spreken, als cheerleaders in een Amerikaanse droogneukerskomedie, maar dan anders. Alsof het cellofaan eraf was gehaald, zoiets.