
Okee. Natuurlijk is de Tour de grootste wielerwedstrijd van het jaar. Maar iedere rechtgeaarde liefhebber van heroïsch fietswerk zal het met Linkeballen eens zijn: de afgelopen jaren moest de Tour zijn meerdere erkennen in de Giro d'Italia. In Italië houden ze wel van een experimentje en is niets te gek. Onverharde wegen, blubberglijbanen en talloze aankomsten bergop. Als het aan de organisatie had gelegen, was de eerste etappe vorig jaar zelfs geëindigd in de onregelmatig beklinkerde straatjes onder de Utrechtse Dom, in plaats van op een lange lap asfalt voor de Jaarbeurs. Voor de niet-kenners: de straat die onder de Dom doorloopt is zo smal, dat dwarsfluit spelen al een onmogelijke opgave is. Het leverde de Giro-kijker een hoop spektakel op, met spanning tot het eind.
Wat stelde de Tour daar de laatste jaren tegenover? Etappes nog vlakker dan de emoties van Jerney Kaagman, bergritten die eindigden in een afdaling van 20 kilometer en vooral een heleboel rekenwerk van de favorieten. Vaak was één welgemikte aanval voldoende om Parijs in het geel binnen te rijden. Gaap.
Maar de Tour slaat terug in 2011. Spanning. Sensatie. Gevaar. Vier aankomsten bergop. De terugkeer van Alpe d'Huez. Een finish bovenop de grillige Galibier. Een ploegentijdrit. En in etappe één al de terugkeer naar de spekgladde Passage du Gois. Een smalle overgang tussen eiland en vasteland, die twee keer per dag onder water staat. In de Tour van 1999 ging het halve peloton daar nog onderuit. Dat wordt extra pleisters inpakken voor de teamartsen. Maar dat maakt ons niet uit. De Tour is terug. En hoe!